De Grote Kerk te Dordrecht
De bouw van Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk werd voltooid in de eerste helft van de vijftiende eeuw. Deze heeft dan de vorm, zoals we die nu kennen: een middenschip, zijschepen, dwarsarmen of transepten, een hoogkoor met kooromgang en een krans van kapellen. Daarnaast is er het Mariakoor.
De hele kerk is in steen overwelfd met zogenaamde kruisribgewelven, iets wat vanwege de zachte bodem uniek is in Nederland. Aan de westzijde staat de in 1339 gefundeerde, maar door verzakking nooit afgebouwde, toren met haar vier karakteristieke wijzerplaten.
Reeds in de middeleeuwen beschikte de kerk over een orgel. Als bewijs hiervoor kan gezien worden dat er in 1490 sprake is van een betaling van de organist. Het instrument stond opgesteld in het Mariakoor. Toen echter de kansel in 1597, die in of bij het noordertransept moet hebben gestaan, verhuisde naar het schip, verhuisde het orgel mee en wel naar het zuidertransept, er ongeveer recht tegenover. In 1614 kreeg de orgelmaker Aelbert Kiespenning uit Nijmegen de opdracht een nieuw orgel te bouwen, dat geplaatst werd tegen de oostmuur van het zuidertransept. Dit orgel werd gekeurd door de beroemde Amsterdamse organist Jan Pietersz. Sweelinck. Tien jaar later moest het onder het wakend oog van Joost Hendricxz., de maker van de preekstoel, die inmiddels tot kerkfabriek (opzichter) was bevorderd, worden gerepareerd en van een nieuw pedaal worden voorzien. Meester Hendryk Speuy, de bekende Dordtse organist en componist, heeft het nog maar een jaar kunnen bespelen. Hij was toen al hardhorig en kreeg verlof, op voorwaarde zich goed te gedragen. Zijn muzikale vaardigheden kwamen alleen voor en na de dienst aan bod. Voor de ondersteuning van de gemeentezang werd in 1611 een voorzanger aangesteld. Het orgel was tijdelijk uit de kerkdienst verbannen, maar sinds 1638 mocht het psalmgezang weer door orgeltonen worden gedragen. Het orgelgebruik was in ere hersteld, maar het instrument voldeed toch kennelijk niet, want in 1671 kreeg de orgelbouwer Nicolaas van Hagen opdracht tot de bouw van een nieuw orgel. Deze had in 1654 naam gemaakt met het bouwen van het orgel in de Sint Pauluskerk te Antwerpen. In 1762 werd het orgel voorzien van nieuw beeldhouwwerk in rococostijl. Na diverse reparaties werd in 1859 het volledige binnenwerk vernieuwd door de Rotterdamse orgelbouwer Kam. De ingebruikname werd verricht door de organist van de Grote Kerk, Gijsbert Izaäk de Vries. Een voor die tijd 'modern' instrument, voorzien van o.a een zwelkast, drie viervoetsregisters op het bovenwerk, was het resultaat. Tot op de huidige dag behoort dit instrument tot één van de weinige orgels waarop het romantische en hedendaagse repertoire zo goed tot haar recht komt. Ook als 'gemeentezang' orgel heeft het een unieke plaats in Nederland verworven. Op enkele wijzigingen na heeft dit instrument nog steeds (anno 2004) zijn originele dispositie. Het telt in totaal 51 registers, verdeeld over Manuaal, Positief, Bovenwerk en Pedaal. Maar zoals met alle karakteristieke instrumenten, heeft ook dit orgel beperkingen: de uitvoering van barokmuziek is praktisch onmogelijk. Het instrument mist een zekere 'doorzichtigheid' die zo wenselijk is voor de uitvoering van polyfone muziek. Uitgebreide informatie: www.grotekerk-dordrecht.nl |