Het nieuwe barokorgel - uitgebreidWaarom een Middenduits barok-orgel?
Nederland is uitermate rijk aan historische orgels. Zelfs als we ons blikveld in dezen beperken tot de tweede helft van de 17de en de 18de eeuw zijn er in ons land tal van goed bewaarde orgels aanwezig. De Noordduitse Barok is met name in de provincies Groningen en Friesland uitstekend vertegenwoordigd. In de 17de en 18de eeuw is in Noordduitsland een enorme hoeveelheid fascinerende orgelmuziek gecomponeerd, geënt op het Noordduitse barokke orgeltype en we mogen ons uitermate gelukkig prijzen daarvan uitstekende voorbeelden te bezitten. Zuidelijke orgels met een duidelijk vanuit Frankrijk beïnvloed concept vinden we onder meer in Gronsveld, Vlaardingen en Helmond. Zuidnederlandse en Franse orgelmuziek kunnen we in Nederland derhalve ook stijlzuiver ten gehore brengen. Met name in Middennederland werken in de 17de en 18de eeuw diverse orgelmakers van Middenduitse komaf. Zij passen hun bouwstijl steeds aan bij de liturgische eisen van de Nederlandse calvinistische (in die tijd) staatskerk. Dat houdt bijvoorbeeld in dat de mogelijkheden om een melodie duidelijk te laten horen (discantbetoning) prevaleert boven een geschiktheid voor het uitvoeren van polyfone muziek (waarin alle stemmen goed verstaanbaar dienen te zijn). Ondanks hun grote artistiek-ambachtelijke kwaliteiten zijn daarom de meeste'Hollandse' barokorgels niet per definitie geschikt voor het uitvoeren van alle Middenduitse barokke orgelliteratuur. Middenduitse barokorgels zijn tot op heden niet in Nederland aanwezig. In het Middenduitse cultuurgebied is echter in de 17de en 18de eeuw een schat aan - ook in Nederland veel gespeelde - polyfone orgelmuziek ontstaan. Om de 'smaak' daarvan echt goed te kunnen proeven is het in ons land bouwen van een stilistisch de Middenduitse geest ademend orgel voor onze orgelcultuur van grote betekenis. Het hoeft geen betoog dat in dit verband het oeuvre van Johann Sebastian Bach een centrale plaats inneemt. Daarom is in het vervolg van deze uiteenzetting de term 'Bach-orgel' mede een pars pro toto voor het Middenduitse barokke orgellandschap (met name Saksen en Thüringen). Wat is een Bach-orgel?Deze vraag houdt al meer dan een eeuw organisten, orgeldeskundigen en Bach-specialisten bezig. Er zijn inmiddels vele, sterk van elkaar afwijkende antwoorden gegeven. Dat komt mede doordat de vraag vanuit zeer verschillende invalshoeken gesteld kan worden.Het eigentijdse Bach-orgelDe een stelt de vraag vanuit het zoeken naar een eigentijds orgel waarop Bachs muziek goed tot klinken gebracht kan worden. Niemand minder dan Albert Schweitzer meende dat het in 1907 gebouwde Dalstein-Haerpferorgel van de Lutherse Kerk te Straatsburg-Cronenbourg een ideaal Bach-orgel was. Marie-Claire Alain, die als organist terecht wereldfaam geniet, koos voor haar Bach-opnamen in de jaren 1960 nieuwe orgels van de Deense orgelmakers Frobenius en Marcussen. De orgels van Dalstein-Haerpfer en Frobenius/Marcussen verschillen echter hemelsbreed van elkaar, zowel in technische opbouw, speelaard als klank. Dat zozeer verschillende orgels door grote Bach-vertolkers beschouwd werden als uitstekende media voor het uitvoeren van Bachs oeuvre heeft uiteraard alles te maken met grote verschillen in interpretatie-opvattingen.Zolang de Bach-interpretatie qua opvatting 'in beweging' is - en dat zal naar wij hopen altijd zo blijven -, zal de vraag wat een goed eigentijds orgel is voor het uitvoeren van Bachs muziek steeds een anders klinkend 'antwoord' opleveren. Dit betekent dat wat vandaag als een goed nieuw Bach-orgel wordt beschouwd, mogelijk in de nabije toekomst reeds niet meer als zodanig gewaardeerd zal worden. In de geschiedenis van de afgelopen eeuw is deze veronderstelling meermalen bewaarheid. Door Bach zelf bespeelde orgels Men kan de vraag ook in zuiver historische zin opvatten. Dan is een Bach-orgel simpelweg een orgel waarop Johann Sebastian Bach gespeeld heeft. Als uit betrouwbare bronnen dan ook nog blijkt dat Bach positieve waardering voor een bepaald orgel had, is de vraag in theoretisch-historische zin afdoende beantwoord. Echter niet in praktische zin, want de meeste door Bach zelf bespeelde orgels zijn inmiddels afgebroken of verwoest.
Nog lastiger wordt de beantwoording als de vraag impliceert wat Bachs ideale orgel was.
Bach heeft op qua stijl en grootte zeer verschillende orgels gespeeld. Hij kende Noordduitse orgels, hij bespeelde, ontwierp, keurde of bezocht Thüringer en Saksische orgels en hij heeft zonder twijfel gedurende zijn verblijven in de zomerresidentie van zijn broodheer prins Leopold van Anhalt-Köthen te Karlovy Vary (Karlsbad; Tsjechië) ook met Boheemse/Habsburgse orgels kennisgemaakt. Bach kende derhalve zo ongeveer alle contemporaine Duitse orgeltypes. Door zijn dienstbetrekkingen in Arnstadt, Mühlhausen, Weimar, Köthen en Leipzig had hij vooral van doen met orgels gebouwd in Thüringen en Saksen. Bachs omgang met en mening over orgelsSchriftelijke bronnen van Bachs eigen hand over zijn waardering voor een bepaald orgel(type) zijn niet overgeleverd. In zijn plan voor de ombouw van het orgel in de Divi Blasii te Mühlhausen uit 1708 en in de (mede) door hem ondertekende keuringsrapporten en attesten blijkt hij een zeer terzake kundig en kritisch orgelexpert te zijn met grote aandacht voor een stabiele windvoorziening, exacte pijpenaanspraak, egale intonatie en goede stemming. Verwijzingen naar een eventueel door hem geprefereerde orgelbouwstijl zijn in deze bronnen echter niet te vinden.Ook zijn er getuigenissen van tijdgenoten over Bachs relatie tot het orgel. Beroemd zijn de herinneringen van Bachs tweede zoon Carl Philipp Emanuel aan zijn vader als organist en orgeldeskundige (1754; 1774): "Niemand kon beter dan hij disposities voor nieuwe orgels opstellen en beoordelen. Ondanks al deze orgelkennis was het hem, zoals hij vaak betreurde, nooit gelukt een echt groot en echt mooi orgel tot zijn reguliere beschikking te hebben. Dit berooft ons van nog vele mooie en nooit gehoorde vondsten in het orgelspel, die hij anders op papier gezet en getoond zou hebben, zoals hij ze in zijn hoofd had." "Nog nooit heeft iemand zo kritisch en daarbij oprecht orgels gekeurd. Hij had in de hoogste mate verstand van orgelbouw. ... Niemand kon zo goed als hij registreren op de orgels. Vaak schrokken de organisten als hij op hun orgels wilde spelen en op zijn eigen wijze registreerde, omdat ze dachten dat wat hij wilde onmogelijk goed klinken kon. Vervolgens hoorden zij echter een opzienbarend (klank)effect. Deze wetenschappen zijn met hem gestorven. Het eerste wat hij bij een orgelkeuring deed was dit: Hij zei schertsend: allereerst wil ik weten of het orgel goede longen heeft. Om dat te beproeven trok hij alle registers open en speelde zo veelstemmig mogelijk. Hierbij werden de orgelmakers vaak bleek van schrik." Afgezien van mogelijk enige romantisering in deze herinneringen, worden uit deze bronnen J.S. Bachs enorme kwaliteiten als theoretisch en praktisch orgeldeskundige volstrekt duidelijk. Of de al dan niet qua dramatiek enigzins aangezette passage over het nooit regulier ter beschikking gehad hebben van een echt groot en echt mooi orgel in algemene zin bedoeld is, dan wel betrekking heeft op niet met succes bekroonde sollicitaties naar organistenposten op grote instrumenten (bijvoorbeeld in Halle en Hamburg) is niet vast te stellen. Evenmin valt uit dit citaat te concluderen dat Thüringer en Saksische orgels niet Bachs artistieke voorkeur hadden en al helemaal niet welk ander orgeltype dan wel. Bach en Noordduitse orgelsBachs leerling Johann Friedrich Agricola schrijft in 1768 dat "de grootste orgelkenner en orgelspeler van Duitsland en wellicht van heel Europa, wijlen kapelmeester Bach" een groot liefhebber van tongwerken was en meldt dat Bach de schoonheid en de verscheidenheid van de 16 tongwerken in het orgel van de St. Catharinenkirche te Hamburg (1670) niet genoeg roemen kon. Diverse onderzoekers meenden casu quo menen op grond van deze uitlatingen dat Bach een voorkeur had voor het Noordduitse barokke orgeltype. Wie echter goed leest zal niet minder maar ook niet meer kunnen vaststellen dan wat Agricola schrijft, als hij in uiteenzettingen over zijn eigen voorliefde voor veel en verschillendsoortige tongwerken zijn leermeester posthuum aanhaalt.Een andere vermeende aanwijzing voor Bachs voorliefde voor Noordduitse orgels is zijn sollicitatie naar de organistenbetrekking in de St. Jakobikirche te Hamburg (1720). Of het Arp Schnitger-orgel (1693) aldaar de reden voor die sollicitatie was - zoals wel is gemeend -, is echter een niet 'archivalisch belegte' hypothese. Mogelijk en geenszins onwaarschijnlijk is er in elk geval een verband met het predikantschap van Erdmann Neumeister aan deze kerk. Neumeister was een groot bewonderaar van Bach en Bach maakte regelmatig gebruik van zijn cantateteksten. Bach en Gottfried SilbermannOver de orgels van Gottfried Silbermann meldt Agricola (1768) dat echte orgelkenners aan zijn orgels niets meer bekritiseren dan de al te eenvormige dispositie, die voortkomt uit een overdreven voorzichtigheid om geen registers te bouwen waarvan Silbermann niet zeker was dat ze niet zouden mislukken; voorts de al te eigenzinnige temperatuur (stemmingssysteem) en tenslotte de te zwakke mixturen en cimbels, waardoor zijn orgels in met name grote kerken niet genoeg "Schärfe und durchschneidendes Wesen" hebben. Of Agricola met echte orgelkenners ook Bach bedoelt, is niet duidelijk. Immers elders (zie boven) noemt hij wijlen zijn leermeester steeds respectvol bij name. Het lijkt vergezocht om uit deze uitlatingen af te leiden dat Bach geen bijzondere waardering had voor Silber- mann-orgels. Agricola zelf be- toont zich een voorstander van een rijke variatie aan acht- en viervoets labiale re- gisters en is zonder twijfel gecharmeerd van (hoge) terts- koren in de vulstemmen die het plenum een bijzondere bril- lance geven. Deze elementen kenmerken bijvoorbeeld barok- ke Thüringer orgels. Maar ook Thüringer orgels waren veelal niet rijk bedeeld met tongwerken.
Vergeleken met Thüringse orgels disponeerde Silbermann zowel qua aantal als qua variëteit minder acht- en viervoets labiale registers, maar een vergelijkbaar percentage tongwerken. Hij voorzag zijn mixturen en cimbels niet van tertskoren, wel is er vaak een losse Terts (C 4/5', c' 1 3/5') in prestantmensuur op het tweede klavier gedisponeerd. Deze kan ook in het plenum worden gebruikt, ook al vermeldt Silbermann dat niet in de twee van zijn hand bewaardgebleven registratiestaalkaarten. Op 1 december 1736 gaf Bach een orgelconcert op het enkele dagen tevoren ingewijde Silbermann-orgel van de Frauenkirche te Dresden. Bach zou bij deze gelegenheid over Silbermann gezegd hebben: "Zijn orgels zijn voortreffelijk; hij heet terecht Zilverman, want zijn orgels hebben een zilveren toon en donderende bassen; moge hij zo verder werken." Bachs oudste zoon, Wilhelm Friedemann, organist van het Silbermann-orgel in de Sophienkirche te Dresden, dichtte naar aanleiding van de inwijding van het Frauenkirche-orgel:
Silbermanns stemmingssysteem kan als conservatief worden getypeerd. Toonaarden met weinig voortekens hebben een rein klinkend effect. Het spelen in toonaarden met veel voortekens is - in elk geval in onze oren en mogelijk ook in die van J.S. Bach - muzikaal onbevredigend. Zeker is dat Silbermann niet ieder orgel volgens zijn systeem tempereerde. In hoeverre dit beïnvloed casu quo voorgeschreven werd door de opdrachtgevers of hun adviseurs valt niet exact na te gaan. Wel is opvallend dat Silbermann in bijvoorbeeld de 'muziekmetropool' Dresden zijn orgels niet op de gebruikelijke koor- of de cornettoon (een halve tot een hele toon hoger dan onze huidige orkesttoon van a = 440 Hz) baseerde, maar op de kamertoon (a = 415 Hz); dit ongetwijfeld vanwege het samenspel met op de dezelfde toonhoogte gestemde kamermuziekinstrumenten. Gottfried SilbermannGottfried Silbermann werd in 1683 geboren in Kleinbobritzsch bij Frauenstein (Saksen) geboren als zoon van een meester timmerman. Hij werd tegen zijn zin eerst in de leer gestuurd bij een speelgoedmaker en vervolgens bij een boekbinder. Een en ander eindigde rampzalig met vastzetting in de slotgevangenis van Frauenstein. Na zijn ontsnapping uit deze gevangenis trok Gottfried in 1701 naar zijn vijf jaar oudere broer Andreas, die zich in Straatsburg als orgelmaker gevestigd had. Hij ontving daar een opleiding tot houtbewerker en orgelmaker. Andreas Silbermann werkte van 1704 tot 1706 bij de orgelmakers Thierry in Parijs en raakte zodoende volledig vertrouwd met de Franse orgelbouwstijl. Wellicht had in deze periode Gottfried de leiding over het atelier in Straatsburg. Tussen 1707 en 1709 bouwden de broers Silbermann vanuit Straatsburg verscheidene orgels in de Elzas. In 1709 verliet Gottfried Straatsburg en hij keerde in 1710 terug in Saksen en vestigde zich als orgelmaker. Hij ontwikkelde al zeer snel een eigen orgelbouwstijl die richtinggevend werd voor de orgelbouw in Saksen. Deze stijl wortelt duidelijk in Saksische tradities, heeft daarbij een evident eigen gezicht en wijkt sterk af van de instrumenten van de Elzasser tak van de familie.Silbermann en zijn orgel in de Dom te FreibergGottfried Silbermanns eerste grote orgel in Saksen, dat van de Dom in Freiberg (1710-1714) incorporeert in een eigen, op Saksische leest geschoeid concept nog Franse invloeden. In het eerste ontwerp (24-06-1710) was bijvoorbeeld, overeenkomend met de bouwprincipes van zijn broer Andreas, een opbouw met Hoofdwerk, Rugpositief, Borstwerk en Pedaal voorzien. In het tweede, drie maanden later ingediende ontwerp had, naar Middenduitse contemporaine principes het Rugpositief reeds plaats gemaakt voor een Bovenwerk. Op 8 oktober 1710 werd het orgelbouwcontract getekend. Aanbevelingen van onder meer Johann Kuhnau, Bachs ambtsvoorganger in Leipzig, hadden daartoe bijgedragen. In 1711 werd Elias Lindner, leerling van Johann Kuhnau, tot Freiberger domorganist benoemd. Hij maakte ook het frontontwerp voor het nieuwe Silbermann-orgel. Het instrument werd in 1714 gekeurd door Johann Kuhnau en Gottfried Ernst Bestel, hoforganist te Altenburg. Het is een van de gaafst bewaarde Gottfried Silbermann-orgels.Of Johann Sebastian Bach dit orgel ooit bezocht heeft, is niet in archivalia overgeleverd. Het is echter niet onwaarschijnlijk, zeker als men in aanmerking neemt dat het een gereputeerd orgel was, en dat zijn leerling Johann Friedrich Doles er van 1744 tot 1756 cantor was. Freiberg en DordrechtAllereerst dient te worden opgemerkt dat de orgels van Gottfried Silbermann tijdens èn na zijn leven een grote reputatie genoten en genieten, zowel bij organisten als bij orgelmakers. Niet alleen hebben orgelmakers tot in de 19de eeuw op zijn principes voorgeborduurd. Ook zijn verhoudingsgewijs opmerkelijk veel van zijn orgels bewaard gebleven, hetgeen mede te danken is aan hun vaste bespelers. Dat onderlijnt dat de terecht grote Silbermann-reputatie geen 20ste eeuwse uitvinding is, maar al in de 18de eeuw wortelt. En zoals Bachs muziek al vanaf zijn leven nooit van het orgelreperoire verdwenen is, zo is het werk van Gottfried Silbermann altijd met respect bejegend.En wat is er beter dan het werk van een door tijdgenoten en volgende generaties zeer gerespecteerd orgelmaker als voorbeeld te nemen voor een nieuw orgel in Middenduitse barokstijl in Dordrecht? Na uitvoerige oriëntatie en een studiereis naar orgels van diverse makers in Brandenburg, Thüringen en Saksen heeft de Stichting Bachorgel Grote Kerk Dordrecht ervoor gekozen een orgel te laten bouwen dat gebaseerd is op het Silbermann-orgel van de Dom te Freiberg. Dit is niet alleen een imponerend instrument (het behoort tot de absolute Europese 'top') maar het is ook een van de meest veelzijdige Silbermann-orgels zowel qua dispositie als qua klank. Meer dan op andere van zijn instrumenten zijn in Freiberg ook 'excursies' naar muziek uit andere stijlgebieden, zoals het Zuidduits/Habsburgse, goed mogelijk. Het Freiberger domorgel wordt niet in Dordrecht gecopiëerd. Het wordt qua factuur, maatvoeringen en klankgeving een zo getrouw mogelijk na te volgen voorbeeld. Wat de dispositie betreft zijn ook andere bewaardgebleven Silbermann-orgels in de overwegingen opgenomen, met name dat in de St. Petrikirche te Freiberg (1735) en de Hofkirche te Dresden (1754). Daarnaast zijn alle beschikbare gegevens van Bachs eigen hand (orgelbouwplannen, keuringsrapporten en registratieaanwijzingen) in kaart gebracht, geanalyseerd en zoveel als mogelijk geïncorporeerd in het concept. Dat bleek mogelijk te zijn in een goede harmonie met Silbermanns disponeerwijze. Zodoende kon een stilistisch gezien 'einheitliches' orgelbouwconcept worden opgesteld. Tekst: © Peter van Dijk. De dispositie van het barokorgel te Dordrecht
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||